Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:4200

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 december 2019
Publicatiedatum
19 december 2019
Zaaknummer
19/147 WUV-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens verzuim afgewezen

Appellante had beroep ingesteld tegen een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de beroepsgronden niet tijdig waren ingediend. Appellante deed vervolgens verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, stellende dat zij door een hartoperatie niet in staat was om tijdig de gronden in te dienen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de termijn genoemd in artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een fatale termijn is. Appellante heeft geen voldoende feiten of omstandigheden aangevoerd die rechtvaardigen dat zij niet in verzuim was. Bovendien heeft zij niet bewezen dat zij gedurende de gehele termijn niet in staat was de gronden in te dienen, en het lag op haar weg om een derde in te schakelen.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 december 2019.

Uitkomst: Het verzet van appellante tegen de niet-ontvankelijkverklaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 december 2019
19/147 WUV-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen:
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats], Australië (appellante)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 4 juli 2019 heeft de Raad het beroep van appellante tegen het besluit van verweerder van 21 september 2018 niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 7 november 2019. Beide partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 4 juli 2019 berust op de overwegingen dat de gronden van het beroep niet zijn ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In verzet geeft appellante te kennen dat zij ten tijde van het indienen van de gronden een hartoperatie heeft ondergaan en dat zij om die reden niet in staat was tijdig de gronden van het beroep in te dienen.
De Raad is van oordeel dat in verzet geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Volgens vaste rechtspraak dient de in artikel 6:6 van Pro de Awb genoemde termijn te worden aangemerkt als een fatale termijn. De door appellante genoemde omstandigheden maken dit niet anders. Appellante heeft niet met bewijsstukken onderbouwd dat zij gedurende de gehele termijn voor indiening van de gronden niet in staat was om de gronden van het beroep in te dienen. Het had op de weg van appellante gelegen om een derde in te schakelen om haar belangen te behartigen.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2019.
(getekend) H. Lagas
(getekend) L.R. Daman

VC