ECLI:NL:CRVB:2019:4226
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- W.H. Bel
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde vakantiewoning in Turkije
Appellant ontving bijstand over meerdere perioden en meldde pas in 2015 telefonisch dat hij een vakantiewoning in Turkije bezit, welke hij niet eerder had doorgegeven. Het college stelde een onderzoek in en vond dat de waarde van het appartement hoger was dan door appellant opgegeven. Hierdoor werd de bijstand over diverse perioden ingetrokken en teruggevorderd, met een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting.
Appellant voerde aan dat het onderzoek in Turkije onrechtmatig was en dat hij de inlichtingenplicht niet had geschonden omdat hij niet expliciet naar het bezit van buitenlandse onroerende zaken was gevraagd. De Raad oordeelde dat het bewijs rechtmatig was verkregen volgens Nederlands recht en dat de inlichtingenplicht objectief is, waarbij het niet melden van het bezit van onroerende zaken ook zonder expliciete vraag een schending vormt.
De boete werd als proportioneel beoordeeld en de Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand en boete gehandhaafd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand en de opgelegde boete worden bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.