Uitspraak
17.1985 ANW
OVERWEGINGEN
€ 256,- (1 punt, wegingsfactor 0,5).
BESLISSING
8 december 2019.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een nabestaandenuitkering na het overlijden van zijn echtgenote. Na het aangaan van een nieuwe gezamenlijke huishouding op 30 oktober 2008 trok de Sociale Verzekeringsbank (Svb) de uitkering met terugwerkende kracht in en vorderde te veel betaalde bedragen terug. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar de Svb verklaarde deze ongegrond.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking en terugvordering over de periode van 19 juni 2015 tot 24 september 2015 onrechtmatig was omdat de Svb niet bevoegd was tot terugwerkende intrekking, maar liet de rest van de besluitvorming in stand. In hoger beroep betoogde appellant dat hij onvoldoende was geïnformeerd over de gevolgen van samenwoning voor de uitkering.
De Raad oordeelde dat appellant zijn meldingsplicht niet was nagekomen en dat het beleid van de Svb, dat terugwerkende intrekking slechts beperkt toepast bij bijzondere omstandigheden, consistent was toegepast. Er waren geen dringende redenen om af te zien van intrekking en terugvordering. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de Staat tot een schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van proceskosten van € 256.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering en veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.