ECLI:NL:CRVB:2019:4269
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig caissière, ontving sinds 2011 een WIA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een verzoek van haar ex-werkgever werd haar arbeidsongeschiktheid in 2016 herbeoordeeld. De verzekeringsarts stelde vast dat zij belastbaar was zonder beperkingen op het gebied van concentratie en geheugen, wat leidde tot beëindiging van haar WGA-loonaanvullingsuitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat zij geen medische stukken had overgelegd die een verdere beperking aannemelijk maakten. Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen groter waren dan vastgesteld, onder meer door concentratie- en geheugenproblemen en vermoeidheid na een beroerte, en verzocht om een deskundige.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts het medisch onderzoek voldoende had onderbouwd en dat er geen aanwijzingen waren voor cognitieve beperkingen. Ook de arbeidsdeskundige had rekening gehouden met een urenbeperking vanwege cognitieve klachten. De informatie over vermoeidheid bood onvoldoende grond voor een andere beoordeling. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de beëindiging van de uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.