ECLI:NL:CRVB:2019:4323
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit beëindiging WGA-vervolguitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich ziek op 10 september 2014. Het UWV kende hem op 9 september 2016 een WGA-vervolguitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 45-55%, gebaseerd op een verzekeringsartsrapport en een arbeidsdeskundig onderzoek met een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Na bezwaar en beroep herberekende het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid op 33,06% en beëindigde de uitkering per 10 juli 2017. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het besluit zorgvuldig was genomen en de medische beperkingen voldoende waren vastgesteld.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat onvoldoende beperkingen waren aangenomen en dat hij niet in staat was arbeid te verrichten. Hij verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische gegevens van verschillende specialisten waren betrokken en dat appellant geen nieuwe medische gegevens had overgelegd die twijfel rechtvaardigen.
De Raad bevestigde dat de FML en de geselecteerde functies medisch passend zijn en dat het UWV de arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld onder de 35%. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-vervolguitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.