ECLI:NL:CRVB:2019:4323

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 december 2019
Publicatiedatum
23 december 2019
Zaaknummer
17/7958 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 lid 1 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit beëindiging WGA-vervolguitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich ziek op 10 september 2014. Het UWV kende hem op 9 september 2016 een WGA-vervolguitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 45-55%, gebaseerd op een verzekeringsartsrapport en een arbeidsdeskundig onderzoek met een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).

Na bezwaar en beroep herberekende het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid op 33,06% en beëindigde de uitkering per 10 juli 2017. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het besluit zorgvuldig was genomen en de medische beperkingen voldoende waren vastgesteld.

In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat onvoldoende beperkingen waren aangenomen en dat hij niet in staat was arbeid te verrichten. Hij verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische gegevens van verschillende specialisten waren betrokken en dat appellant geen nieuwe medische gegevens had overgelegd die twijfel rechtvaardigen.

De Raad bevestigde dat de FML en de geselecteerde functies medisch passend zijn en dat het UWV de arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld onder de 35%. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-vervolguitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

Uitspraak

17.7958 WIA

Datum uitspraak: 19 december 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 1 november 2017, 17/1334 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Widt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker afval via [naam uitzendbureau] Op 10 september 2014 heeft appellant zich ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 9 september 2016 aan appellant met ingang van 7 september 2016 een WGA-vervolguitkering toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Daaraan liggen de rapporten van een verzekeringsarts van 21 juli 2016 en van een arbeidsdeskundige van 8 september 2016 ten grondslag. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk, maar dat appellant wel belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 juli 2016. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 45,97% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.2.
In bezwaar hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep op 20 februari 2017 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op 27 maart 2017 en 8 mei 2017 rapporten opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de FML van 20 juli 2016 gehandhaafd kan blijven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het maatmaninkomen herberekend en in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies gevonden die tot een hogere restverdiencapaciteit leiden. Dit heeft geleid tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 33,06%. Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 9 mei 2017 (het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard en de WGA-vervolguitkering beëindigd met ingang van 10 juli 2017 (twee maanden en één dag na dagtekening van het bestreden besluit), omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat aan het bestreden besluit zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt en dat er geen reden is om aan te nemen dat de door de (bezwaar)verzekeringsarts in de FML vastgestelde beperkingen niet voldoende zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is niet alleen van belang wat appellant ervaart, maar wat objectief medisch als gevolg van ziekte en gebrek aan beperkingen is vast te stellen. Uitgaande van de FML acht de rechtbank het aannemelijk dat appellant de aan de schatting ten grondslag gelegde functies kan vervullen. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv ook het maatmaninkomen correct heeft berekend en dat appellant zijn stelling dat hij meer uren heeft gewerkt dan door de werkgever is opgegeven, op geen enkele wijze heeft onderbouwd.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat er niet voldoende beperkingen zijn aangenomen. Volgens appellant zijn de medische stukken van vier specialisten en het feit dat appellant niet in staat is om de dagelijkse dingen thuis te volbrengen, onvoldoende in de beoordeling betrokken. De rechtbank gebruikt in haar uitspraak met name algemene bewoordingen, die niet worden toegespitst op de zaak van appellant, en de standpunten worden, behalve opgesomd, niet (voldoende) gemotiveerd. Omdat in de FML onvoldoende beperkingen zijn opgenomen, kloppen de geduide functies ook niet. Appellant meent dat hij niet in staat is welke arbeid dan ook te verrichten. Appellant heeft de Raad in hoger beroep verzocht een deskundige aan te wijzen die zulks opnieuw onderzoekt. Ten aanzien van het gehanteerde maatmaninkomen blijft appellant van mening dat onvoldoende rekening is gehouden met de daadwerkelijk gewerkte uren voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling .
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht per 7 september 2016 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WGA-vervolguitkering van appellant met ingang van 10 juli 2017 heeft beëindigd. Ter zitting heeft appellant de grond ten aanzien van het gehanteerde maatmaninkomen laten vervallen.
4.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en dat er geen reden is om te twijfelen aan de medische en arbeidskundige beoordeling. De overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Er is geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.
4.4.
Uit het rapport van 20 februari 2017 volgt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de dossiergegevens heeft bestudeerd en alle informatie van de behandelend specialisten, te weten van de reumatoloog, longarts, revalidatiearts, mdl-arts en de cardioloog, bij zijn beoordeling heeft betrokken. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat er onvoldoende beperkingen zijn aangenomen. De in hoger beroep ingebrachte informatie van de revalidatiearts van 11 februari 2015 was al in de primaire fase door appellant ingebracht en door de verzekeringsartsen bij de beoordeling betrokken. De in hoger beroep ingebrachte informatie van de reumatoloog, van de gemeente Winterswijk, van de Sociale Dienst en van de huishoudelijke hulp van appellant dateert van na de periode in geding, zijnde de periode van 7 september 2016 tot en met 10 juli 2017. De stelling van appellant dat hij in de periode in geding niet in staat was de dagelijkse dingen thuis te volbrengen, is onvoldoende voor twijfel aan de gemotiveerde conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
4.5.
Nu er geen reden is voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, bestaat er geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
4.6.
Uitgaande van de juistheid van de FML, wordt de rechtbank ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.
4.7.
Uit 4.2 tot en met 4.6. volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, voor zover aangevochten.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2019.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) R.H. Koopman