ECLI:NL:CRVB:2019:4339
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen beëindiging Ziektewet en weigering WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als orderpicker, meldde zich ziek met rugklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde haar ZW-uitkering omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen en weigerde een WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. In hoger beroep heeft het UWV het ZW-besluit herzien en de uitkering voortgezet, maar de WIA-weigering gehandhaafd.
De Raad oordeelt dat het procesbelang voor het ZW-besluit is vervallen omdat het UWV het bezwaar geheel heeft ingewilligd, waardoor het hoger beroep daartegen niet-ontvankelijk is. Ten aanzien van de WIA-uitkering vernietigt de Raad het eerdere vonnis en verklaart het beroep gegrond, maar wijst het beroep tegen het gewijzigde WIA-besluit af omdat de arbeidsongeschiktheid onder 35% blijft.
De medische en arbeidskundige onderzoeken zijn zorgvuldig en onderbouwen de conclusie dat appellante geschikt is voor bepaalde functies, waardoor zij niet voldoet aan de criteria voor een WIA-uitkering. De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het ZW-besluit is niet-ontvankelijk; het beroep tegen het WIA-besluit wordt ongegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.