ECLI:NL:CRVB:2019:4341
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WIA-uitkeringsweigering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als assembleerder, meldde zich ziek wegens duizelingen en rugklachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat appellant 33,75% arbeidsongeschikt was en wees een WIA-uitkering af. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond omdat een functie als productiemedewerker niet passend zou zijn vanwege heftruckrijden en tillen.
In hoger beroep stelde appellant dat de medische onderbouwing onvoldoende was en dat zijn hernia nog beperkingen veroorzaakte. De Raad benoemde een onafhankelijke neuroloog die concludeerde dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat neurologisch gezien geen extra beperkingen aanwezig waren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreef dit rapport.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de functie productiemedewerker hout en bouw als passend heeft aangemerkt, omdat er geen contra-indicaties waren voor heftruckrijden en tillen. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het UWV tot weigering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.