ECLI:NL:CRVB:2019:4349
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geschiktheid voor EZWb-functie en beëindiging Ziektewetuitkering
Appellante ontving sinds februari 2015 een Ziektewetuitkering vanwege zwangerschaps- en psychische klachten. Na een eerstejaars ZW-beoordeling stelde het UWV vast dat zij per 16 december 2016 geen recht meer had op ZW-uitkering, omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen in andere functies. Na hernieuwde ziekmelding kende het UWV opnieuw een ZW-uitkering toe, die per 15 juni 2017 werd beëindigd op grond van geschiktheid voor geselecteerde EZWb-functies.
Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing en stelde dat zij niet geschikt was voor de functies vanwege haar beperkingen, ondersteund door medische verklaringen. Het UWV handhaafde het besluit en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het UWV voldoende zorgvuldig en volledig onderzoek heeft verricht. De Raad vond geen reden om aan het medisch oordeel te twijfelen, ook niet op grond van de latere medische stukken die onvoldoende onderbouwing boden voor beperkingen op de peildatum. De Raad concludeerde dat appellante geschikt was voor ten minste één van de geselecteerde functies, waardoor de beëindiging van de ZW-uitkering terecht was.
De Raad wees erop dat de beoordeling zich beperkt tot de situatie op 15 juni 2017 en dat latere verslechteringen niet relevant zijn voor dit besluit. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht per 15 juni 2017 beëindigd wegens geschiktheid voor een EZWb-functie.