Appellant, laatstelijk werkzaam als orderpicker, meldde zich ziek wegens lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde aanvankelijk vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen WIA-uitkering werd toegekend. Na bezwaar en beroep bleef dit besluit gehandhaafd en verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen, waaronder een autisme spectrum stoornis en psychische klachten, onvoldoende waren meegewogen. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die extra beperkingen vaststelde. Op basis van het deskundigenrapport en nadere medische beoordelingen stelde het UWV de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) bij en berekende een arbeidsongeschiktheid van 38,92%.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank omdat het UWV het oorspronkelijke standpunt had verlaten en een uitkering had toegekend. De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig en overtuigend was en dat de aangepaste FML de beperkingen van appellant adequaat weerspiegelde. Het beroep tegen het gewijzigde besluit werd ongegrond verklaard.
De Raad wees een proceskostenvergoeding toe aan appellant wegens betaalde griffierechten. Hiermee is appellant alsnog gerechtigd tot een loongerelateerde WGA-uitkering vanaf 6 april 2015.