ECLI:NL:CRVB:2019:472
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek terugkeer ZW-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, voormalig medewerker bij een jongerencentrum, viel sinds november 2005 uit wegens psychische klachten en kreeg een Ziektewet-uitkering toegekend. Deze uitkering werd per 14 maart 2007 beëindigd omdat appellant toen geschikt werd geacht voor zijn maatgevende arbeid. Appellant verzocht in 2016 om herziening van dit besluit, stellende dat hij nog steeds klachten had en dat de beëindiging evident onredelijk was.
Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank bevestigde dit standpunt en verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat medische informatie aantoont dat hij al in 2005 klachten had en tot op heden niet hersteld is, waardoor het eerdere besluit onredelijk zou zijn.
De Raad toetste of de medische stukken nieuwe feiten of omstandigheden bevatten die niet eerder konden worden aangevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de overgelegde medische informatie reeds bij eerdere beoordelingen was betrokken en dat latere medische gegevens niet zien op de situatie per 14 maart 2007. De Raad onderschreef dit oordeel en vond geen aanleiding het besluit evident onredelijk te achten.
Daarom werd het hoger beroep verworpen, de eerdere uitspraak bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om terugkeer van de ZW-uitkering wordt niet toegewezen.