ECLI:NL:CRVB:2019:477
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken causaal verband tussen ziekten
Appellant, werkzaam als heftruckchauffeur, meldde zich in maart 2011 ziek met maag- en darmklachten en ontving een WW-uitkering. In december 2012 vroeg hij een WIA-uitkering aan, die door het UWV per 21 maart 2013 werd geweigerd. In juni 2013 werd een tumor achter het oog geconstateerd, waarop appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt meldde. Het UWV stelde vast dat deze ziekte anders was dan de eerdere klachten en weigerde opnieuw de WIA-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat er een causaal verband bestaat tussen zijn eerdere maag- en darmklachten en de tumor achter het oog, gesteund door zijn huisarts en het UMCG. Het UWV betwistte dit en vroeg bevestiging van de eerdere uitspraak.
De Raad liet zich adviseren door een internist-oncoloog en een oogarts, die beiden onafhankelijk concludeerden dat geen medisch causaal verband bestaat tussen de twee aandoeningen. De Raad vond deze deskundigenrapporten overtuigend en voldoende gemotiveerd. Appellant kon zijn stelling niet nader onderbouwen.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het recht op WIA-uitkering wordt ontzegd wegens ontbreken van causaal verband.