Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:490

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 februari 2019
Publicatiedatum
14 februari 2019
Zaaknummer
17/3340 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging WIA-uitkering na bezwaarprocedure met inachtneming uitlooptermijn

Appellant, voormalig technisch magazijnmedewerker, ontving een WGA-vervolguitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 63,44%. Na een herbeoordeling werd dit percentage verlaagd naar 34,39%, waarna de uitkering per 19 april 2016 werd beëindigd omdat het percentage onder de 35% lag.

Naar aanleiding van een bezwaar is een nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek uitgevoerd, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage verder werd verlaagd naar 26,22%. Het bezwaar werd gegrond verklaard en de uitkering beëindigd met inachtneming van een uitlooptermijn van twee maanden, per 20 september 2016.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het verlagen van het percentage was gebaseerd op een zorgvuldige herbeoordeling van beperkingen en passende functies. Appellant stelde in hoger beroep dat het verbod op reformatio in peius werd geschonden omdat hij door het bezwaar slechter af zou zijn.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verbod op reformatio in peius niet is geschonden, omdat verlaging van de uitkering per een toekomende datum is toegestaan en de uitlooptermijn is gerespecteerd. Ook werd geen onjuiste medische grondslag vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de WIA-uitkering met inachtneming van de uitlooptermijn en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

17.3340 WIA

Datum uitspraak: 13 februari 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
22 maart 2017, 16/5898 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.E. Groenenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Groenenberg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als technisch magazijn medewerker. Per 7 juli 2009 heeft hij zich ziek gemeld. Van 2 april 2013 tot 31 december 2015 heeft hij een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) ontvangen. Daarna is hij in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 63,44%.
1.2.
Naar aanleiding van een herbeoordeling heeft een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 34,39%. Dit heeft geleid tot het besluit van 18 februari 2016 waarbij de WGA-vervolguitkering per 19 april 2016 is geëindigd, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.
1.3.
Naar aanleiding van het door appellant tegen het besluit van 18 februari 2016 ingediende bezwaarschrift heeft opnieuw een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Dit heeft ertoe geleid dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is aangepast. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens vastgesteld dat twee van de drie eerder geselecteerde functies passend zijn en er is een derde functie bijgeduid. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 26,22%. Het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2016 is daarom bij besluit van 4 augustus 2016 (bestreden besluit) gegrond verklaard. De WGA-vervolguitkering is met inachtneming van een uitlooptermijn van twee maanden beëindigd per
20 september 2016.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank – voor zover van
belang – overwogen dat het in de bezwaarfase naar beneden bijstellen van het arbeidsongeschiktheidspercentage een gevolg is geweest van het aannemen van minder psychische beperkingen en het vervolgens bijduiden van een andere passende functie. Dit gewijzigde standpunt is uitgebreid gemotiveerd in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dat er onvoldoende rekening zou zijn gehouden met de fysieke klachten van appellant, en dat er meer of andere beperkingen zouden moet worden aangenomen, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het verbod op reformatio in peius. Als gevolg van het indienen van een bezwaarschrift is immers de mate van arbeidsongeschiktheid verlaagd van 34,39% naar 26,22%. Het is daardoor voor appellant moeilijker om als arbeidsongeschikt te worden erkend. Hij is door het bestreden besluit daarom slechter af en dat is verboden. Zowel het Uwv als de rechtbank hebben dit miskend. Appellant heeft ook aangevoerd dat het Uwv zijn beperkingen onjuist heeft vastgesteld.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en gesteld dat in dit geval geen sprake is van reformatio in peius. Ook is de medische beoordeling zorgvuldig en juist.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met het verbod van reformatio in peius. Het verbod van reformatio in peius betekent dat de indiener van een bezwaarschrift in beginsel niet door het indienen daarvan na heroverweging van het besluit in een slechtere positie komt dan zonder de bezwaarprocedure mogelijk zou zijn. Dit verbod is hier, anders dan appellant stelt, niet geschonden. Het is vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 juli 2017, ECLI:CRVB:2017:2557) dat een WIA-uitkering niet met terugwerkende kracht mag worden ingetrokken of naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse mag worden vastgesteld. Het verbod van reformatio in peius verzet zich echter niet tegen intrekking of verlaging van de WIA-uitkering per een toekomende datum, omdat het Uwv ook los van het ingediende bezwaar bevoegd is de uitkering van de verzekerde per een toekomende datum in te trekken of te verlagen op de grond dat hij niet (langer) of minder arbeidsongeschikt is. Dit betekent dus dat het verlagen van het arbeidsongeschiktheidspercentage na een bezwaarprocedure pas per toekomende datum mag worden geëffectueerd. Geoordeeld wordt dat daaraan in dit geval is voldaan. Bij het bestreden besluit is de hier geldende uitlooptermijn van twee maanden in acht genomen. De WGA-vervolguitkering is pas na afloop daarvan (per 19 april 2016) beëindigd.
4.2.
Voor het oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist zou moeten worden gehouden, wordt geen grond gezien. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant zijn standpunt in hoger beroep niet (nader) heeft onderbouwd. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen worden onderschreven.
5. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) L. Boersma
md