ECLI:NL:CRVB:2019:5
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als huishoudelijk medewerkster, meldde zich ziek wegens rugklachten en psychische klachten. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar beperkingen werden onderschat, waarbij zij medische informatie van PsyQ overlegde. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzocht haar opnieuw en handhaafde de beperkingen en de geschiktheid van de geselecteerde functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de medische beoordeling juist was. In hoger beroep stelde appellante dat haar psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen, met name de beperkte effectiviteit van behandelingen en medicatie. Het UWV voerde aan dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en overhandigde een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen en geschiktheid van functies juist waren vastgesteld. De Raad concludeerde dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de medische beoordeling of de geschiktheid van de functies. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.