Appellant ontvangt sinds mei 2014 bijstand op grond van de Participatiewet. Tijdens een rechtmatigheidsonderzoek zijn bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat tussen mei 2015 en april 2016 bijschrijvingen en een kasstorting van in totaal €1.085,- op zijn rekening zijn gedaan. Het college heeft daarop de bijstand over die periode herzien en een bedrag van €1.580,43 teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat ook leningen die vrijelijk kunnen worden besteed als inkomen moeten worden aangemerkt. Appellant had zijn inlichtingenplicht geschonden door deze bedragen niet te melden. In hoger beroep herhaalt appellant dat het om geleend geld ging dat hij heeft terugbetaald en dat de bedragen klein waren, maar de Raad volgt de rechtbank in haar gemotiveerde oordeel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.