ECLI:NL:CRVB:2017:3128
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstortingen met boetevermindering
Appellant en zijn partner ontvingen gezamenlijk bijstand op grond van de WWB. Uit onderzoek bleek dat appellant in de periode mei tot december 2013 maandelijks kasstortingen ontving die niet waren gemeld aan het dagelijks bestuur. Deze stortingen werden aangemerkt als middelen in de zin van de WWB, omdat zij een terugkerend karakter hadden en werden gebruikt voor levensonderhoud.
Het dagelijks bestuur herzag en trok de bijstand in en legde appellant een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de stortingen leningen waren zonder periodiek karakter en dat zijn financiële situatie matiging van de boete rechtvaardigde.
De Raad oordeelde dat kasstortingen met een terugkerend karakter als inkomen gelden, ongeacht de aard als lening. Appellant had de stortingen moeten melden en de schending van de inlichtingenverplichting was verwijtbaar. De financiële situatie van appellant rechtvaardigde geen matiging van de boete. Wel werd de boete gecorrigeerd naar €2.649,09 conform de sinds 1 januari 2017 geldende regels over afronding.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover de boete op €2.650 was vastgesteld, stelde de boete op €2.649,09 vast en veroordeelde het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Boete wegens niet gemelde kasstortingen wordt vastgesteld op €2.649,09 en het beroep wordt gegrond verklaard.