Uitspraak
17.5350 PW
23 juni 2017, 16/4852 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende een aanvraag om bijstand in met als hoofdverblijf een opgegeven adres. Het dagelijks bestuur voerde een onderzoek uit, waaronder huisbezoeken, waaruit bleek dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk op dat adres woonde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad benadrukte dat de bewijslast voor het aannemelijk maken van de bijstandbehoevendheid bij appellant ligt. Hij moest duidelijkheid verschaffen over zijn woon- en leefsituatie, maar slaagde hier niet in. De onderzoeksbevindingen toonden onder meer het ontbreken van verse etenswaren, wasmachine, verzorgingsartikelen en administratie in de woning.
Appellant voerde aan dat hem later bijstand was verleend onder dezelfde omstandigheden, maar dit betrof een andere periode en deed niets af aan de onderzoeksresultaten. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen en werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het opgegeven adres woonde.