ECLI:NL:CRVB:2019:55
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering
Appellante was werkzaam als administratief secretarieel medewerker in een WSW-dienstverband en viel per 2 september 2013 uit wegens psychische klachten. Na een onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige in 2015 werd vastgesteld dat haar functie als medewerker scanstraat niet passend was, maar dat zij herplaatst was als productie-medewerker. Op basis van de inkomsten uit deze nieuwe functie werd haar arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% vastgesteld.
Het UWV besloot op 5 oktober 2015 dat appellante geen recht had op een WIA-uitkering en verklaarde bij bezwaar van 25 februari 2016 dit besluit ongegrond. De rechtbank Limburg bevestigde dit oordeel in een uitspraak van 30 november 2016. Appellante stelde in hoger beroep dezelfde gronden aan als eerder, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek door het UWV zorgvuldig was en dat er geen reden was om te twijfelen aan de conclusies van de arbeidsdeskundige.
De Raad onderschreef volledig de overwegingen van de rechtbank en wees erop dat appellante niet heeft betwist dat haar arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op basis van haar feitelijke verdiensten in het herplaatste werk. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarmee het UWV-besluit gehandhaafd blijft.