ECLI:NL:CRVB:2019:552

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 februari 2019
Publicatiedatum
20 februari 2019
Zaaknummer
17/7471 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 PWArt. 16 PW
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens verblijf langer dan vier weken in buitenland zonder zeer dringende redenen

Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en verbleef van 10 juni tot 9 september 2016 in Marokko. Het dagelijks bestuur trok de bijstand met ingang van 9 juli 2016 in omdat zij langer dan vier weken buiten Nederland verbleef, wat volgens artikel 13 lid 1 onder Pro e PW het recht op bijstand uitsluit.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat geen sprake was van zeer dringende redenen op grond waarvan bijstand toch verleend zou moeten worden. Appellante voerde aan dat haar medische situatie en de jaarlijkse reis met haar ouders naar Marokko dit rechtvaardigden, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet volstond.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en voegt toe dat appellante tijdens haar verblijf in Marokko werd verzorgd door familie, zodat in haar levensonderhoud werd voorzien. Het hoger beroep wordt verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat geen zeer dringende redenen voor bijstandsverlening buiten de vier weken verblijf in het buitenland aanwezig zijn.

Uitspraak

17.7471 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 oktober 2017, 16/10402 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 12 februari 2019
Zitting heeft: J.J.A. Kooijman
Griffier: J. Tuit
Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. F. Ergec, advocaat. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. P. Neelemann.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot het vergoeden van schade af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Op 10 juni 2016 is zij met haar ouders op vakantie gegaan naar Marokko. Op 9 september 2016 is zij van die vakantie teruggekeerd. Bij besluit van 22 september 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
17 november 2016 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de bijstand met ingang van
9 juli 2016 ingetrokken. Daaraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellante langer dan vier weken buiten Nederland heeft verbleven. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW geen recht heeft op bijstand over de periode dat zij langer dan vier weken in Marokko heeft verbleven. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of aan appellante over die periode op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW toch bijstand moet worden verleend omdat sprake is van zeer dringende redenen.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat van zeer dringende redenen geen sprake is. Zij heeft daartoe overwogen als volgt, waarbij met eiseres, appellante is bedoeld:
“6. De door eiseres aangevoerde omstandigheden vormen naar het oordeel van de rechtbank geen zeer dringende redenen die noopten tot het verlenen van bijstand. Van een acute noodsituatie is geen sprake, nu het voorzienbaar was dat eiseres langer dan wettelijk toegestane periode van vier weken buiten Nederland zou verblijven. Zij wist immers vooraf dat zij voor drie maanden naar Marokko zou gaan en bovendien is dit een naar eigen zeggen jaarlijks terugkerend onderdeel van haar leven. Dat eiseres gelet op haar medische situatie afhankelijk is van haar ouders, dat haar ouders ieder jaar drie maanden naar Marokko gaan en eiseres dus geen alternatief heeft dan met haar ouders mee te reizen, volgt de rechtbank niet. De ouders van eiseres hebben bijvoorbeeld de keuze om voor een kortere periode naar Marokko te gaan, zodat eiseres haar bijstandsuitkering kan behouden.
7. Nu er geen sprake was van een acute noodsituatie of een situatie waarin de behoeftige omstandigheden waarin eiseres verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, was het verlenen van bijstand niet volstrekt onvermijdelijk. Daarbij wijst de rechtbank erop dat de medische situatie van eiseres door het dagelijks bestuur niet wordt betwist en bekend was. Het dagelijks bestuur heeft dan ook geen medisch onderzoek hoeven te verrichten.”
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Hij voegt daar nog aan toe dat appellante in de periode dat zij langer dan vier weken in Marokko heeft verbleven aldaar werd verzorgd en onderhouden door haar familie, zodat in haar levensonderhoud werd voorzien.
Het hoger beroep slaagt niet. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) J. Tuit (getekend) J.J.A. Kooijman

IJ