ECLI:NL:CRVB:2019:554
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verblijf buitenland langer dan vier weken
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en was ontheven van arbeidsverplichtingen. Zij meldde een verblijf in het buitenland van 14 januari tot 15 april 2017, maar kreeg slechts toestemming tot 10 februari 2017. Het college trok de bijstand per 11 februari 2017 in vanwege het verblijf langer dan vier weken buiten Nederland.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. Zij volgde het standpunt dat de reden van het verblijf niet relevant is voor de toepassing van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Participatiewet. Het beroep op een oude regeling uit de Wet werk en bijstand werd verworpen omdat deze sinds 2012 niet meer van kracht is.
Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde, omdat appellante expliciet was gewezen op de beperkte toestemming. Het beroep op zeer dringende redenen werd afgewezen omdat de medische situatie geen acute noodsituatie betrof en het verblijf voorzienbaar was.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat appellante geen bewijs leverde voor een onbeperkte vrijstelling van arbeids- en re-integratieplicht. Het feit dat zij bij familie verbleef en in haar levensonderhoud voorzag, maakte bijstand niet onvermijdelijk. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens verblijf in het buitenland langer dan vier weken wordt bevestigd.