ECLI:NL:CRVB:2019:555
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet melden op geld waardeerbare arbeid
Appellant heeft bijstand ontvangen over de periode van 1 november 2015 tot en met 31 maart 2016. Het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch heeft deze bijstand ingetrokken en de kosten teruggevorderd, omdat appellant niet heeft gemeld dat hij gedurende die periode werkzaamheden verrichtte die op geld waardeerbaar waren.
Medewerkers van Team Handhaving hebben meerdere keren waargenomen dat appellant als kapper werkte bij een bedrijf, ook op momenten dat de eigenaar niet aanwezig was. Appellant heeft zelf verklaard dat hij vanaf oktober of november 2015 tot kort voor maart 2016 werkte, met een regelmatig patroon van werkdagen. Hoewel appellant stelde geen inkomsten te hebben genoten en het werk vooral diende om structuur aan te brengen, is volgens vaste rechtspraak het verrichten van op geld waardeerbare arbeid relevant voor het recht op bijstand, ongeacht de intentie of daadwerkelijke inkomsten.
Appellant had moeten weten dat hij zijn werkzaamheden moest melden, mede omdat hij hierop was gewezen door zijn werkconsulente. Hij heeft de inlichtingenverplichting geschonden. Tevens heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij alsnog recht op bijstand zou hebben gehad als hij de werkzaamheden wel had gemeld, omdat hij geen administratie bijhield waarmee het college het recht op bijstand had kunnen vaststellen.
De Raad wijst het verzoek van appellant om aanvullende stukken toe te voegen af, omdat deze niet tijdig zijn ingediend. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de bijstand blijft in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand blijft in stand.