ECLI:NL:CRVB:2019:573
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde verkoopactiviteiten op Marktplaats
Appellanten ontvingen sinds 1997 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Uit onderzoek van de gemeente Súdwest-Fryslân bleek dat via een Marktplaats-account ruim 1500 advertenties met een totale vraagprijs van meer dan €213.000 waren geplaatst. Appellant verklaarde goederen voor zijn dochter te verkopen, maar het betrof ook ingekochte handelsgoederen. Het college van burgemeester en wethouders besloot de bijstand op te schorten en later in te trekken wegens het niet melden van deze inkomsten en verkoopactiviteiten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep betwistten appellanten niet de verkoop, maar stelden dat het om incidentele verkoop van privégoederen ging, die niet gemeld hoefde te worden. De Raad oordeelde dat de verkoop geen incidentele verkoop was, omdat ook ingekochte goederen werden verkocht en de omvang van de handel substantieel was.
Omdat appellanten geen administratie of gegevens overlegden om de omvang en inkomsten van de handel aan te tonen, werd geoordeeld dat zij de inlichtingenverplichting hadden geschonden. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De intrekking van de bijstand en de terugvordering waren dan ook terecht. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet gemelde verkoopactiviteiten op Marktplaats wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.