ECLI:NL:CRVB:2019:60
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten
Appellant ontving vanaf 1 juni 2016 een WW-uitkering, berekend op basis van 40 uur arbeidsverlies per week. Het UWV stelde in een werkplan dat appellant acht sollicitatieactiviteiten moest verrichten in de periode van 24 september tot en met 18 november 2016. Appellant voldeed hier niet aan en verstrekte onvoldoende bewijs van zijn sollicitaties.
Het UWV verlaagde daarom per 1 december 2016 zijn uitkering met 25% voor vier maanden. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel degelijk voldoende sollicitaties had verricht en overhandigde hij digitale reacties van werkgevers.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze stukken onvoldoende concreet en verifieerbaar waren, mede doordat sollicitatiebrieven ontbraken. Ook omstandigheden zoals zijn freelance werkzaamheden konden het niet nakomen van de sollicitatieplicht niet rechtvaardigen. Er waren geen dringende redenen om van de maatregel af te zien. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging van de WW-uitkering wordt bevestigd.