Appellant, werkzaam als binnenvaartmatroos, viel in 2010 uit en werd later beoordeeld in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de Ziektewet (EZWb). Het UWV stelde vast dat appellant vanaf 2012 werkte als gastheer/medewerker bediening horeca en gebruikte deze functie als maatman voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Appellant betwistte dit en wilde dat zijn eerdere functie als binnenvaartmatroos als maatman zou gelden.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep bevestigde de Raad dat het UWV terecht de laatst verrichte functie als maatman hanteerde, omdat appellant deze functie geruime tijd had uitgeoefend en niet ongeschikt was verklaard voor die functie. De beroepsgrond van appellant werd verworpen.
Daarnaast oordeelde de Raad dat de redelijke termijn van de procedure met ongeveer zes maanden was overschreden. De overschrijding was deels toe te rekenen aan het UWV en deels aan de bestuursrechter. Op grond hiervan werd appellant een immateriële schadevergoeding toegekend van € 500,-, waarvan € 167,- voor rekening van het UWV en € 333,- voor de Staat. Tevens werden proceskosten aan appellant toegekend, te verdelen tussen het UWV en de Staat.