Uitspraak
17.4091 WIA
24 april 2017, 16/4795 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig medewerker in een visfabriek, meldde zich in december 2013 ziek vanwege fysieke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek een arbeidsongeschiktheid van 43,38% vast en kende de uitkering toe. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard door het UWV.
De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de medische beoordeling juist was. De rechtbank nam daarbij mee dat de beperkingen in hand- en vingergebruik niet objectief waren onderbouwd en dat psychische arbeidsongeschiktheid niet met medische informatie was aangetoond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, met name met betrekking tot grijpfunctie, schouderklachten, lopen, staan en autorijden, en dat het onderzoek door verzekeringsartsen onzorgvuldig was. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat alle medische informatie was meegewogen. Ook werd bevestigd dat psychisch onderzoek door verzekeringsartsen had plaatsgevonden.
Appellant bracht geen nieuwe medische informatie in hoger beroep. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagde en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WIA-uitkering met 43,38% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.