Appellante was werkzaam als woonbegeleider en meldde zich in mei 2014 ziek met lichamelijke klachten. Het UWV stelde bij besluit van maart 2016 vast dat zij per 9 mei 2016 recht had op een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45%. Na bezwaar bleef dit percentage ongewijzigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen van appellante niet waren onderschat.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat zij op de peildatum lichamelijk en psychisch meer beperkt was dan aangenomen. Zij overhandigde diverse medische en ondersteunende documenten ter onderbouwing. Het UWV handhaafde haar eerdere standpunt. De Raad concludeerde dat de aangevoerde stukken geen nieuwe medische gegevens bevatten die aanleiding geven het oordeel over de belastbaarheid te herzien.
De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank en stelde vast dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellante. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.