ECLI:NL:CRVB:2019:652
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Wajong-uitkering wegens verblijf in het buitenland met correctie datum beëindiging
Appellant ontving sinds 1986 een arbeidsongeschiktheidsuitkering en woonde sinds 1992 in Indonesië. Na beëindiging van zijn AAW-uitkering in 1999 en herstart van de Wajong-uitkering in 2009, vertrok appellant in juni 2014 opnieuw naar Indonesië. Het UWV beëindigde de Wajong-uitkering per 1 mei 2015 wegens verblijf buiten Nederland en vorderde onverschuldigde betalingen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij slechts tijdelijk in Indonesië verbleef om voor zijn kinderen te zorgen en dat hij ingezetene bleef, of dat de hardheidsclausule moest worden toegepast. De Raad oordeelde dat appellant tot 24 juni 2015 als ingezetene moest worden aangemerkt en dat het UWV ten onrechte de uitkering eerder beëindigde.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraken en beslissingen voor zover zij de beëindiging en terugvordering betroffen, beperkte de terugvordering tot de periode van 1 juli tot 31 oktober 2015 en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten. Het beroep op de hardheidsclausule werd afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn verblijf onvermijdelijk was.
De Raad bevestigde dat de uitkering pas per 1 juli 2015 had mogen eindigen en dat het UWV de uitkering vanaf die datum had moeten stopzetten. Tevens werd vastgesteld dat de rechtbank Rotterdam onbevoegd was, maar deze onbevoegdheid werd voor gedekt verklaard.
Uitkomst: De Wajong-uitkering is terecht beëindigd wegens verblijf in het buitenland, maar pas per 1 juli 2015, met terugvordering beperkt tot 1 juli tot 31 oktober 2015.