Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB en werden in 2014 geconfronteerd met intrekking van deze bijstand vanwege het niet melden van onroerende zaken in Turkije. Een onderzoek van de gemeente Tilburg, ondersteund door een advocatenbureau, bracht deze eigendommen aan het licht. Het college stelde dat appellanten de inlichtingenverplichting hadden geschonden en besloot de bijstand terug te vorderen.
Appellanten deden meerdere nieuwe aanvragen voor bijstand, die allen werden afgewezen vanwege het ontbreken van actuele waardebepalingen van het buitenlandse vermogen. Tijdens het hoger beroep herzag het college het eerdere besluit en handhaafde het een nader besluit, waarbij werd gesteld dat de nieuwe gegevens rechtmatig waren verkregen en dus mochten worden betrokken bij de besluitvorming.
De Raad oordeelde dat het eerdere besluit, gebaseerd op onrechtmatig verkregen bewijs, moest worden herroepen. De nieuwe gegevens, door appellanten zelf overgelegd, zijn geen verboden vruchten en mogen worden gebruikt. De Raad verklaarde het beroep tegen het eerdere besluit gegrond en tegen het nader besluit ongegrond, bevestigde de afwijzing van de nieuwe aanvragen en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten.