Uitspraak
18.1401 AOW, 18/1963 AOW
OVERWEGINGEN
.Daarbij kan van de betrokkene, worden verlangd dat hij zelf de gegevens aanlevert die zijn standpunt onderbouwen en die relevant zijn voor dit onderzoek.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1952, stopte op 60-jarige leeftijd met werken en had een inkomensvoorziening via een overbruggingslijfrente en een geflexibiliseerd ABP-pensioen. Bij het bereiken van 65 jaar werd de lijfrente beëindigd. Hij vroeg in 2017 AOW-pensioen aan, maar de SVB weigerde dit omdat hij de AOW-leeftijd nog niet had bereikt. De SVB wees het bezwaar af, verwijzend naar artikel 7a van de AOW dat de pensioengerechtigde leeftijd verhoogt en naar de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR) die bepaalt wanneer sprake is van een onevenredig zware last door het AOW-gat.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit omdat de SVB zich beperkte tot een toetsing aan de OBR-voorwaarden, wat geen deugdelijk individueel feitenonderzoek is. De rechtbank liet de rechtsgevolgen echter in stand omdat de SVB ter zitting verklaarde dat zij aanvullend onderzoek had gedaan waaruit bleek dat appellant geen onevenredig zware last had. Appellant ging in hoger beroep tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen, stellende dat zijn financiële situatie ernstiger was dan door de rechtbank aangenomen.
De SVB stelde dat de toetsing aan de OBR-voorwaarden beleidsmatig is en dat zij inmiddels ook de inkomens- en vermogenspositie van betrokkene meeneemt bij de beoordeling van een onevenredig zware last. De Raad bevestigt dat de enkele toetsing aan de OBR-voorwaarden onvoldoende is, maar erkent dat de SVB inmiddels een deugdelijk individueel feitenonderzoek uitvoert. De Raad oordeelt dat appellant geen onevenredig zware last draagt, mede omdat hij voldoende vermogen heeft om het AOW-gat te overbruggen en hij tijd had zich op de wetswijziging voor te bereiden. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen onevenredig zware last draagt door het AOW-gat en wijst het hoger beroep af.