Appellante was administratief medewerkster en viel in 2010 uit wegens een verkeersongeval. Het UWV kende haar een WIA-uitkering toe vanaf 2012, met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45%, later verhoogd tot 80-100%. In 2014 kreeg zij een Ziektewet-uitkering toegekend. Na een interne controle bleek dat het UWV ten onrechte aannam dat de werkgever het loon had doorbetaald, waardoor de WIA-uitkering onjuist was vastgesteld.
Het UWV herzag de WIA-uitkering per 1 augustus 2014 en vorderde een bedrag van ruim €6.300 terug. Appellante maakte bezwaar tegen de herziening en terugvordering, maar de rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de terugvordering ongegrond en bevestigde dat de ZW-uitkering in mindering strekt op de WIA-uitkering. De rechtbank oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen had.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de verdubbeling van de uitkering niet was afgezet tegen de verhoging van haar arbeidsongeschiktheidspercentage en dat de terugvordering onrechtvaardig was vanwege haar lagere pensioen en kosten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht had gehandeld en dat appellante geen dringende redenen had aangetoond om van herziening en terugvordering af te zien. Ook de sociale en financiële gevolgen waren niet onaanvaardbaar.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door J.P.M. Zeijen op 28 februari 2019.