Uitspraak
17.3084 ZW
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant was magazijnmedewerker en meldde zich ziek met lichamelijke klachten. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat appellant geschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid en beëindigde het recht op ziekengeld per 3 november 2016. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank.
In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn HIV-infectie, sikkelcelanemie en hepatitis B, en dat de oorzaak van zijn vermoeidheid onvoldoende was onderzocht. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen medische stukken waren die het standpunt van appellant ondersteunden.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep had op duidelijke wijze gemotiveerd dat er geen medische redenen waren om aan te nemen dat appellant niet geschikt was voor het werk als magazijnmedewerker. De Raad zag geen reden om af te wijken van het oordeel van de rechtbank en bevestigde de uitspraak dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 28 februari 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.