Uitspraak
17.6716 PW, 17/6717 PW
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende twee bijstandsaanvragen in bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. De eerste aanvraag werd afgewezen omdat appellant niet aannemelijk kon maken dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Tijdens een huisbezoek werden nauwelijks persoonlijke spullen aangetroffen en kon appellant zijn kamer niet goed beschrijven.
De tweede aanvraag werd afgewezen omdat appellant onvoldoende inzicht gaf in zijn levensonderhoud voorafgaand aan de aanvraag. Bankafschriften toonden nauwelijks transacties en de verklaringen over inkomsten uit casino-bezoeken werden niet aannemelijk geacht. Ook was onduidelijkheid over een vermeende lening terugbetaling.
De rechtbank had deze besluiten bevestigd en de Centrale Raad van Beroep heeft dit oordeel bekrachtigd. Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvragen wegens onvoldoende bewijs van hoofdverblijf en levensonderhoud.