In deze zaak gaat het om de toekenning van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) aan appellant, die eerder was beëindigd vanwege een verblijf in het buitenland dat langer duurde dan toegestaan. Na beëindiging in 2012 en opnieuw in 2014, diende appellant pas in september 2016 een nieuwe aanvraag in.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat telefonische vragen van derden over de betaalbaarstelling van AOW en AIO geen meldingen zijn in de zin van artikel 47d van de Participatiewet en dus niet als een aanvraag kunnen worden beschouwd. Het feit dat appellant niet eerder een aanvraag indiende, ondanks lopend onderzoek naar vermogen in het buitenland, rechtvaardigt geen terugwerkende kracht.
De Raad benadrukt dat volgens vaste rechtspraak geen recht bestaat op bijstand over een periode vóór de datum van melding of aanvraag. Ook het over het hoofd zien van het besluit uit 2014 door de appellant en de omstandigheden rondom het onderzoek vormen geen bijzondere reden om hiervan af te wijken.
Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek tot vergoeding van schade wordt eveneens afgewezen.