ECLI:NL:CRVB:2019:734
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als cateringmedewerkster, meldde zich op 23 oktober 2008 ziek. Het UWV kende haar vanaf 21 oktober 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering toe op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling op verzoek van de werkgever beëindigde het UWV deze uitkering per 4 februari 2014 omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
Appellante verzocht op 15 december 2014 om een herbeoordeling wegens verslechtering van haar gezondheid per 1 juli 2014. Het UWV stelde bij besluit van 2 april 2015 vast dat zij geen recht had op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid onder de 35% bleef, gebaseerd op medische en arbeidsdeskundige rapporten.
Het bezwaar van appellante tegen dit besluit werd bij besluit van 7 september 2015 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit eveneens ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar pijnklachten en fibromyalgie, waardoor zij niet 40 uur per week kon werken.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de functionele beperkingen juist waren vastgesteld, mede op basis van de Functionele Mogelijkhedenlijst van 13 maart 2015. De geschiktheid van appellante voor verschillende voorbeeldfuncties was adequaat gemotiveerd en er was geen aanleiding voor een ander oordeel. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.