ECLI:NL:CRVB:2019:757
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld na zorgvuldige medische beoordeling zonder aanwijzing toename beperkingen
Appellant was werkzaam als medewerker in een betonfabriek en meldde zich in mei 2012 ziek met rug- en psychische klachten. Na een WIA-beoordeling in 2014 werd vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor bepaalde functies. In september 2015 meldde appellant zich opnieuw ziek met een vermeerdering van rugklachten. Een verzekeringsarts beoordeelde dat er geen toename van beperkingen was ten opzichte van de eerdere beoordeling en het UWV beëindigde het ziekengeld per oktober 2015.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appellant overtuigend hadden vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen waren toegenomen en overlegde een huisartsjournaal met informatie van een neuroloog.
De Centrale Raad van Beroep stelt dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de nieuwe informatie onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een toename van beperkingen. De diagnose en het advies van de neuroloog sluiten aan bij de eerdere beoordeling. De Raad bevestigt daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.