ECLI:NL:CRVB:2019:762
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor WIA-functies na medisch onderzoek
Appellant, voormalig snackbarmedewerker, meldde zich ziek na een hartinfarct en ontving ziekengeld. Het UWV wees zijn aanvraag voor een WIA-uitkering af omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht, geschikt voor functies als productiemedewerker en magazijnmedewerker.
Na een nieuwe ziekmelding met toegenomen klachten vond een verzekeringsarts onderzoek plaats. Het UWV beëindigde het ziekengeld per 3 augustus 2016, wat appellant betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en geen toegenomen beperkingen waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren over onvoldoende onderzoek en onderschatting van beperkingen. De Raad stelde vast dat de verzekeringsarts informatie had opgevraagd bij behandelend specialisten en dat geen nieuwe medische gegevens een toename van beperkingen ondersteunden.
De Raad concludeerde dat appellant geschikt is voor ten minste één van de eerder geselecteerde WIA-functies en bevestigde de beëindiging van het ziekengeld. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van het ziekengeld per 3 augustus 2016 wordt bevestigd.