ECLI:NL:CRVB:2019:763
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen vaststelling WAO-voorschot door UWV
Appellant, sinds 1977 werkzaam als docent en beeldend kunstenaar, ontvangt sinds 1996 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. In 2015 stelde het UWV een voorschot vast op basis van inkomsten uit arbeid. Appellant maakte bezwaar tegen dit voorschot, waarna het UWV het voorschot verhoogde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en verwierp zijn beroep op het vertrouwensbeginsel.
In hoger beroep stelde appellant dat het primaire besluit geen volwaardig besluit was en dat het UWV een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage had moeten hanteren. Tevens beriep hij zich op het vertrouwensbeginsel vanwege de langdurige niet-korting van zijn uitkering. De Raad onderzocht ambtshalve het procesbelang en concludeerde dat het UWV het voorschot definitief had vastgesteld in een besluit van juni 2016, waartegen appellant geen beroep meer instelde.
Daarmee was het geschil over de periode 1 november 2015 tot en met 30 april 2016 definitief beslecht en kon appellant met het huidige hoger beroep geen hoger voorschot meer bereiken. Het procesbelang ontbrak daarom en het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard. De Raad ging niet in op de inhoudelijke gronden en wees proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.