ECLI:NL:CRVB:2019:787
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant was laatstelijk werkzaam als steigerbouwer en meldde zich ziek met handklachten. Het UWV stelde vast dat hij niet geschikt was voor zijn oude werk, maar wel voor andere functies zoals papierwarenmaker. Op basis hiervan werd het recht op ziekengeld beëindigd. Na een nieuwe ziekmelding en onderzoek werd opnieuw vastgesteld dat appellant geschikt was voor deze functies en het recht op ziekengeld werd ingetrokken.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanleiding was om het oordeel van de verzekeringsartsen te betwijfelen. Appellant voerde aan dat zijn psychische klachten door de radicalisering van zijn zoon al eerder bestonden, maar dit werd niet ondersteund door medische informatie.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat appellant geschikt is voor ten minste een van de EZWb-functies en dat er geen reden is voor nader onderzoek door een deskundige. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.