Uitspraak
18.2901 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 512,-;
- bepaalt dat de Staat aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 126,-
Centrale Raad van Beroep
Appellant had bezwaar gemaakt tegen een UWV-besluit over zijn WIA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld. Na een lange procedure, waarin het bezwaar uiteindelijk gegrond werd verklaard, trok appellant zijn beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten en schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank had het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten, maar had het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding afgewezen zonder motivering. Appellant ging in hoger beroep tegen deze afwijzing.
De Centrale Raad oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden met 2 jaar en 8 maanden, omdat de totale procedure langer dan de toegestane vier jaar duurde. De Raad veroordeelde de Staat tot betaling van €3.000 aan immateriële schadevergoeding en tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
De uitspraak benadrukt het belang van tijdige besluitvorming in sociale zekerheidszaken en bevestigt dat overschrijding van de redelijke termijn leidt tot vergoeding van immateriële schade.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €3.000 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.