ECLI:NL:CRVB:2019:805
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek herziening WIA-uitkering wegens geen toegenomen beperkingen
Appellante is sinds 24 april 2007 arbeidsongeschikt voor haar werkzaamheden. Het UWV heeft in 2009 vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. Diverse medische rapporten, waaronder van reumatoloog, internist en klinisch geneticus, zijn later ingediend om terug te komen op dit besluit.
Het UWV heeft in 2015 het verzoek om herziening afgewezen en dit besluit is bij de rechtbank bevestigd. De rechtbank oordeelde dat de nieuwe medische informatie geen aanleiding gaf om het oorspronkelijke besluit onjuist te achten, omdat de toenmalige verzekeringsartsen al rekening hielden met fibromyalgie, hypermobiliteit en chronische vermoeidheid, en geen objectieve weefselschade was vastgesteld.
In hoger beroep voert appellante aan dat nieuwe diagnoses zoals middenrifendometriose en Ehlers Danlos III haar beperkingen verklaren en al vóór 2014 bestonden. De Raad stelt echter vast dat deze diagnoses geen wezenlijk ander medisch beeld geven dan de reeds bekende hypermobiliteit en dat er geen toename van objectiveerbare beperkingen is aangetoond.
De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en bevestigt het bestreden besluit, waarmee het hoger beroep wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om niet terug te komen op het eerdere besluit wordt bevestigd.