ECLI:NL:CRVB:2019:836
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging berekening persoonsgebonden budget op grond van Regeling langdurige zorg
Appellant beschikte sinds medio 2011 over een aanspraak op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten met een zorgzwaartepakket ZGVIS02 en ontving een persoonsgebonden budget (pgb) van het zorgkantoor. Vanaf 2013 werd een budgetgarantie in drie stappen afgebouwd vanwege tariefverlagingen. Voor 2016 verleende het zorgkantoor een pgb van €7.881,03 bruto, waartegen appellant bezwaar maakte.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het zorgkantoor de Regeling langdurige zorg (Rlz) correct had toegepast. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn pgb niet toereikend was voor zijn zware zorgbehoefte, dat de budgetgarantie niet geleidelijk was afgebouwd en dat het zorgkantoor vertrouwen had gewekt over de afbouw. Tevens verwees hij naar een eerdere uitspraak waarin de eis om in een kleinschalig wooninitiatief te wonen voor budgetgarantie niet mocht worden gesteld.
De Raad overwoog dat het pgb is vastgesteld volgens artikel 5.13 Rlz en dat appellant niet tot de uitzonderingsgroepen van artikel 5.15 Rlz behoort. Het beroep op ontoereikendheid faalde wegens gebrek aan onderbouwing. Het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat appellant onvoldoende concrete aanwijzingen gaf. De eerdere uitspraak bood geen steun omdat geen toezegging of ongelijke behandeling was vastgesteld. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.