Uitspraak
18.4625 AW, 18/4957 AW, 18/6177 AW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- bepaalt dat van het bestuur een griffierecht van € 508,- wordt geheven.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, werkzaam als [naam functie 1] bij de rechtbank Gelderland, werd berispt en later voorwaardelijk strafontslag met proeftijd gestraft wegens vermeend plichtsverzuim. Dit betrof het niet tijdig aanleveren van aangepaste conceptvonnissen en het nalaten van communicatie over de voortgang van zaken, met name negen dossiers waarvan de vonnistermijnen waren verstreken.
De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep tegen het disciplinaire besluit gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat er geen sprake was van ernstig verwijtbaar gedrag dat plichtsverzuim oplevert. Het bestuur nam daarop een nieuwe beslissing die eveneens werd aangevochten.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Hoewel betrokkene niet altijd tijdig werkte en feedback niet altijd verwerkte, was er geen intentie om het primaire proces te stagneren. De Raad oordeelt dat dit tekortschietend functioneren niet kwalificeert als plichtsverzuim dat een disciplinaire straf rechtvaardigt. Daarnaast slaagt het incidenteel hoger beroep van betrokkene dat stelt dat zij wel degelijk betwist heeft dat de dossiers onbesproken in haar kast lagen.
Het bestuur was derhalve niet bevoegd tot het opleggen van de straf en de eerdere berisping verandert dit oordeel niet. De Raad bevestigt het vernietigende oordeel en heft het griffierecht op het bestuur.
Uitkomst: Het hoger beroep van het bestuur wordt verworpen en het disciplinaire besluit tegen betrokkene vernietigd wegens ontbreken van plichtsverzuim.