ECLI:NL:CRVB:2019:88
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant was sinds 2008 arbeidsongeschikt na een auto-ongeval en ontving vanaf 2010 een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. In 2016 besloot het UWV dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht meer had op een uitkering. Dit besluit werd door de rechtbank Overijssel bevestigd na een zorgvuldig medisch onderzoek door een primaire arts in opleiding en een verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was, onder meer omdat het primaire onderzoek door een arts in opleiding was uitgevoerd zonder handtekening van een verzekeringsarts, en dat hij verdergaande beperkingen had dan aangenomen. Ook stelde hij dat bepaalde werkzaamheden een onaanvaardbaar risico voor hem zouden vormen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het gebrek in het primaire onderzoek was hersteld in de bezwaarfase door het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rapporten van specialisten gaven geen aanleiding tot verdere beperkingen. Er was geen reden om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Ook was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de geselecteerde functies een onaanvaardbaar risico voor appellant vormden.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellant geen recht meer heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.