ECLI:NL:CRVB:2019:92
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verzekeringsperiodes AOW-pensioen op basis van huwelijk met in Nederland verzekerde echtgenoot
Appellante, die zelf nooit in Nederland heeft gewoond of gewerkt, vroeg een AOW-pensioen aan op basis van de verzekeringsperiodes van haar echtgenoot in Nederland tussen 1980 en 1989. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde aanvankelijk een pensioen toe van 14% van het maximale pensioen, maar verlaagde dit later naar 2% na onderzoek van de verzekeringsperiodes.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij onvoldoende bewijs had geleverd dat haar echtgenoot in Nederland woonde of werkte buiten de door de Svb erkende periodes. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het onderzoek van de Svb zorgvuldig was en dat appellante geen aanvullende gegevens had overgelegd.
De Raad oordeelde dat de Svb bevoegd was om het pensioen aan te passen aan de verzekerde periodes en dat dit niet in strijd was met het verbod van reformatio in peius. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van appellante gegrond verklaard voor zover het pensioen was verlaagd naar 2%. De Svb werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt gegrond verklaard en het besluit van de Svb wordt vernietigd voor zover het pensioen is verlaagd naar 2%, met opdracht tot een nieuw besluit.