ECLI:NL:CRVB:2016:102
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenlandbijdrage en rechtszekerheid bij wijziging Zorginstituut
Appellant woont sinds 2006 in België en werd geconfronteerd met meerdere vaststellingen van de buitenlandbijdrage over 2006 door het Zorginstituut. Na een eerste definitieve vaststelling in 2010 volgden herzieningen in 2013, waarbij het Zorginstituut de bijdrage meerdere keren aanpaste op basis van verschillende inkomensgegevens en heffingskortingen. Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van mei 2013.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, onder meer omdat het verbod op reformatio in peius niet van toepassing was en het vertrouwensbeginsel niet werd geschonden. In hoger beroep voerde appellant aan dat geen bezwaar was gemaakt tegen het besluit van mei 2013, dat niet aan de navorderingsvereisten was voldaan en dat de rechtszekerheid werd ondermijnd door de wisselende bijdragen.
De Raad overwoog dat de bepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet van toepassing zijn op de buitenlandbijdrage en dat het Zorginstituut ook zonder bezwaar bevoegd was het besluit te wijzigen. De Raad stelde vast dat appellant rekening had kunnen houden met een wijziging gezien de afwijkende inkomensgegevens en dat het Zorginstituut niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel had gehandeld. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.