Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:925

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 maart 2019
Publicatiedatum
20 maart 2019
Zaaknummer
17/4141 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WAO-aanvraag wegens ontbreken nieuwe feiten of veranderde omstandigheden

Appellant had in het verleden een Ziektewetuitkering ontvangen tot 27 september 1993 en meldde zich opnieuw ziek per 30 december 1993. Een besluit uit 1994 weigerde hem een Ziektewetuitkering omdat hij toen niet meer als verzekerde werd beschouwd. In 2016 vroeg appellant een WAO-uitkering aan, maar het UWV stelde vast dat hij geen bewijs overlegd had van verzekering en stelde de aanvraag buiten behandeling. Na bezwaar wees het UWV de aanvraag af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die de eerdere weigering konden herroepen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij geen nieuwe informatie had aangeleverd die zijn verzekeringsstatus op 30 december 1993 bevestigde. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij arbeidsongeschikt is en medische informatie overlegde, maar dit betrof gegevens uit 1999 en 2014 die geen bewijs leverden van verzekering op het relevante moment.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht het besluit handhaafde op grond van artikel 4:6 Awb Pro, omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangetoond. Ook was er geen sprake van evident onredelijkheid van het besluit. De Raad bevestigde dat de WAO-aanvraag terecht werd afgewezen en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WAO-aanvraag wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

17.4141 WAO

Datum uitspraak: 20 maart 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 april 2017, 16/7955 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (Marokko) (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft tot 27 september 1993 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Met ingang van 30 december 1993 heeft hij zich opnieuw ziek gemeld. Een rechtsvoorganger van het Uwv heeft bij besluit van 3 augustus 1994 geweigerd appellant met ingang van 30 december 1993 voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) in aanmerking te brengen, omdat appellant op die dag niet meer als verzekerde in de zin van de ZW kon worden beschouwd en de ziekmelding evenmin was gedaan binnen een maand na beëindiging van de verzekering. Tegen het besluit van 3 augustus 1994 heeft appellant geen bezwaar gemaakt, waarmee het besluit in rechte vaststaat.
1.2.
Bij brief van 8 april 2016 heeft appellant het Uwv verzocht om hem een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Het Uwv heeft appellant bij brief van 17 mei 2016 gevraagd om stukken toe te sturen waaruit blijkt dat hij verzekerd is. Appellant heeft in reactie hierop verklaringen van behandelend artsen in Marokko aan het Uwv doen toekomen.
1.3.
Bij besluit van 12 juli 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant de gevraagde gegevens niet binnen de gegeven hersteltermijn heeft overgelegd en hij heeft de aanvraag daarom buiten behandeling gesteld. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.4.
In de bezwaarprocedure heeft het Uwv de aanvraag van 8 april 2016, behalve als een verzoek om in aanmerking te komen voor een WAO-uitkering, tevens opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 3 augustus 1994. Bij beslissing op bezwaar van 25 november 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv besloten niet terug te komen van het besluit van 3 augustus 1994 omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waaruit blijkt dat appellant op 30 december 1993 verzekerd was voor de ZW. Omdat deze gegevens ook geen aanwijzing gaven dat appellant verzekerd was voor de WAO, is de aanvraag om een WAO-uitkering per 30 december 1993 eveneens afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen nieuwe informatie heeft overgelegd op grond waarvan zou kunnen blijken dat hij vanaf 30 december 1993 verzekerd is geweest ingevolge de ZW. Het Uwv hoefde daarom niet terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van 3 augustus 1994 tot weigering van een ZW-uitkering.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij arbeidsongeschikt is en onder medische behandeling staat. Daartoe heeft appellant gewezen op door hem overgelegde medische informatie.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt:
“1. Indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.”
4.2.
Het Uwv heeft de aanvraag van appellant terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 3 augustus 1994. Hij heeft hierop beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtszoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).
4.3.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.4.
Uit 4.2. en 4.3 volgt dat het aan appellant was om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan te dragen waaruit blijkt dat hij op 30 december 1993 nog verzekerd was. Hierin is appellant, zoals het Uwv en de rechtbank terecht hebben vastgesteld, niet geslaagd. De informatie die appellant heeft overgelegd betreft, onder meer, (Franstalige) medische informatie uit 1999 en 2014. Uit deze informatie blijkt dat niet dat appellant ten tijde van zijn ziekmelding op 30 december 1993 verzekerd was op grond van de ZW. Evenmin kan op grond van wat appellant heeft aangevoerd worden geconcludeerd dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
4.5.
In aanvulling op de aangevallen uitspraak wordt nog overwogen dat het Uwv op juiste gronden ook de WAO-aanvraag heeft afgewezen, omdat in de door appellant overgelegde informatie geen aanknopingspunten waren gelegen dat appellant ten tijde van zijn ziekmelding op 30 december 1993 verzekerd was op grond van de WAO. Als gevolg hiervan bestond er voor het Uwv geen aanleiding tot nader onderzoek naar de WAO-aanspraken van appellant.
4.6.
De overwegingen in 4.1 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2019.
(getekend) B.M. van Dun
(getekend) R.P.W. Jongbloed

VC