Uitspraak
17.4590 WIA
1 juni 2017, 16/4318 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als schoonmaker, meldde zich in 2010 ziek vanwege lichamelijke klachten en kreeg in 2012 een WIA-uitkering toegekend. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 13,97%, waarna het UWV besloot de WGA-uitkering per 23 februari 2016 te beëindigen. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische belastbaarheid op de datum in geding voldoende overtuigend was gemotiveerd en dat het door appellant ingebrachte rapport van een bedrijfs- en verzekeringsarts geen aanleiding gaf tot aanpassing van de functionele mogelijkhedenlijst (FML). De Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de aanvullende medische informatie die appellant in hoger beroep aanvoerde niet ziet op de datum in geding en onvoldoende aanleiding geeft het eerdere oordeel te wijzigen.
De Raad oordeelt dat de verzekeringsartsen deskundig hebben gehandeld en dat er geen aanwijzingen zijn dat het UWV onterecht van fraude uitgaat. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de WGA-uitkering bevestigd.