Uitspraak
17.3333 WIA
20 maart 2017, 16/2780 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als basishulp huishoudelijke verzorging, viel in oktober 2013 uit wegens lichamelijke klachten en vroeg in juli 2015 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde de aanvraag uit vanwege niet-naleving van re-integratieverplichtingen door haar werkgever, waarna een loonsanctie werd opgelegd. Na naleving beoordeelde het UWV de aanvraag inhoudelijk en stelde op 11 december 2015 vast dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op uitkering ontstond.
In bezwaar werden enkele functies als ongeschikt aangemerkt, maar de arbeidsongeschiktheid bleef 0%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat haar eigen klachten onvoldoende onderbouwd waren om de conclusies te weerleggen. Ook de door appellante overgelegde medische brieven boden geen aanleiding tot een andere beoordeling.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen werden onderschat, met name vanwege tegenstrijdige medische informatie en psychische klachten. De Raad volgde deze argumenten niet, omdat de medische informatie relevant voor de datum in geding (2 december 2015) onvoldoende was onderbouwd. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat het onderzoek door het UWV zorgvuldig en juist was uitgevoerd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.