ECLI:NL:CRVB:2019:934
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als eerste monteur, verloor in 2012 zijn linkerpink bij een bedrijfsongeval en hervatte zijn werk volledig in 2013. Vanaf november 2013 meldde hij zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. In augustus 2015 vroeg hij een WIA-uitkering aan. Het Uwv voerde een medisch onderzoek uit en stelde een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, waaruit bleek dat appellant beperkt was maar minder dan 35% arbeidsongeschikt.
Het Uwv weigerde de WIA-uitkering per november 2015 en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit besluit, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen en geschiktheid van functies juist waren vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek onzorgvuldig was omdat niet alle medische informatie was opgevraagd en dat hij ten minste 35% arbeidsongeschikt was. De Raad oordeelde dat het Uwv beschikte over uitgebreide medische gegevens, dat appellant niet had onderbouwd welke informatie ontbrak of anders had moeten zijn, en dat de FML correct was.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en de weigering van de WIA-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.