Uitspraak
24 juli 2017, 16/1442 (aangevallen uitspraak 1) en 27 oktober 2016, 16/3876 (aangevallen uitspraak 2)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als magazijnmedewerker en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV kende haar een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage tussen 55% en 100%, afhankelijk van het besluit. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, waarbij het UWV haar arbeidsongeschiktheid op 80 tot 100% stelde.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat een deskundige had vastgesteld dat haar psychische klachten op de relevante data waren verbeterd en niet voldeden aan de criteria voor duurzame arbeidsongeschiktheid. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar herstelkansen op korte termijn gering waren en dat haar psychiater dit onderschreef.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gronden van appellante een herhaling waren van eerdere bezwaren en dat de deskundige voldoende gemotiveerd had geoordeeld dat geen sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid. Omdat appellante geen nieuwe medische stukken had overgelegd, bevestigde de Raad de eerdere uitspraken en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen duurzame arbeidsongeschiktheid heeft en wijst haar hoger beroep af.