ECLI:NL:CRVB:2019:936
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit arbeidsongeschiktheid en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellante was sinds 1999 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt en kreeg een WAO-uitkering. In 2004 trok het UWV deze uitkering in, omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn. Na bezwaar en beroep bleef dit besluit in stand. In 2012 verzocht appellante om herziening, wat werd afgewezen. In 2013 verklaarde het UWV het bezwaar gegrond en stelde een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% vast.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen niet verder reikten dan vastgesteld. Appellante stelde in hoger beroep dat zij meer beperkingen had, mede door de diagnose MELAS, een progressieve stofwisselingsziekte. Een door de Raad ingeschakelde deskundige concludeerde dat appellante vanaf 2 december 2004 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt was.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 2013, en droeg het UWV op een nieuw besluit te nemen. Tevens oordeelde de Raad dat de redelijke termijn van de procedure met ruim twee jaar was overschreden, waardoor de Staat een schadevergoeding van € 2.500,- aan appellante moest betalen. Verder werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: Het besluit van 2 april 2013 wordt vernietigd en appellante wordt geacht vanaf 2 december 2004 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt te zijn; tevens wordt een schadevergoeding wegens termijnoverschrijding toegekend.